Home
Welkom bij de Hersteld Hervormde Gemeente te Houten

Welkom op de website van de Hersteld Hervormde Gemeente te Houten. Op deze website kunt u informatie vinden over de kerkdiensten, verenigingsleven, kerkelijke activiteiten, gemeente-avonden en nog veel meer. Daarnaast zijn er interessante links te vinden naar diverse, externe, websites.

Voor alle, op de website vermelde data, geldt : "Zo de HEERE wil en wij leven mogen".

Wij wensen u veel leesplezier en hopen u graag te ontmoeten tijdens onze kerkdiensten en/of activiteiten.

 
  • Meditatie

     

    Licht in de duisternis

    ‘Het volk dat in de duisternis wandelt, zal een groot licht zien’
    Jesaja 9:1

    De Heere is een waarmaker van Zijn Woord. Dat is een bekend gezegde, maar tegelijk een eeuwige waarheid, want voor de oprechten zal er een licht opgaan in de duisternis, Ps. 112. Daar mag de profeet Jesaja ook van profeteren. Hij mag een volk, zittend in de donkerheid en duisternis, bemoedigend toeroepen: ‘Er zal verlossing komen, Zijn goedheid is zeer groot’.
    De profeet spreekt hier van een volk, gezeten in duisternis en zij zullen een groot licht zien. Welk volk bedoelt de profeet hier in Jesaja 9? Als wij het tekstverband nagaan, dan zien we dat het eerste vers van hoofdstuk 9 terugslaat op vers 23 van hoofdstuk 8 en dan wijst de profeet als met de vinger aan welk volk hij op het oog heeft. Immers dan zijn het de inwoners van de stammen Zebulon en Nafthali, genoemd naar de zonen van Jacob. Woonden zij niet in het noorden van het land? Eigenlijk wat in een uithoek in de kop van het land! De vijanden vielen hen telkens weer aan en zij gingen dikwijls gebukt onder zware lasten die moeilijk te dragen waren. Vooral ten tijde van Hasaël hebben zij vreselijke tijden doorgemaakt. We lezen immers in 2 Kon. 10: ‘In die dagen begon de Heere Israël af te korten, want Hasaël sloeg ze in alle landpalen van Israël.’
    Was het voor hen dan niet een donkere en duistere tijd? Maar bij wie de schuld van dit alles? Vanwaar al die ellende? Omdat zij de Heere hadden verlaten. Zij hadden God op het hoogst misdaan, zij waren van het heilspoor afgegaan, ja zij en ook hun vaad’ren tevens. Door eigen schuld, moedwillige ongehoorzaamheid en het verlaten van Gods geboden en inzettingen, vanwege al deze overtredingen was de dag veranderd in een stikdonkere nacht. Heeft de Heere Zich in het verleden dan onbetuigd gelaten? Door een sterke arm is het volk van Israël gevoerd uit de Egyptische duisternis en slavernij door die barre woestijn naar het land vloeiende van melk en honig. Toen was het nachtelijk duister veranderd in het morgenrood van een nieuwe dag. En na al die bemoeienissen van Gods kant, hun ten goede, had het volk niet anders verdiend en zich niet anders waardig gemaakt dan weg te zinken in een eeuwige nacht zonder einde.
    Toch was er onder dat volk nog een rest naar de verkiezing der genade en die zagen uit naar de verlossing. Voor dat volk heeft de profeet een woord van troost en bemoediging. Zij hebben het ingeleefd: ‘Wachter wat is er van de nacht, wachter wat is er van de nacht? De morgenstond is gekomen en het is nog nacht.’ Maar dan klinken als bazuinstoten de heerlijke woorden: ‘Het volk dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien.’ ‘O hoe donker ooit Gods weg moog’ wezen, Hij ziet in gunst op die Hem vrezen’. Duisternis in de natuur, wat erg, hoe angstig, maar duisternis in het hart. Eens was het licht in het Paradijs. Toen was de Heere God voor Adam en Eva een Zon en Schild. Maar zij hebben door hoogmoed en ongehoorzaamheid zichtzelf gestort in een zee van ellende en gebracht buiten de lieflijke gemeenschap des Heeren.
    In Egypte waren de drie dagen van dikke duisternis onbeschrijflijk erg. Maar hoe vreselijk de duisternis in het hart van een ontdekkende zondaar. Van nature denken we kinderen des lichts te zijn. Maar Saulus wist bij één lichtstraal uit de hemel hoe donker het was in zijn zondig hart. Tot hen, die weet hebben van donkerheid en duisternis mag Jesaja zich richten. Allereerst een woord voor de stammen van Zebulon en Nafthali en voorts tot allen die instemmen met de dichter: ‘Duizend zorgen, duizend doden, kwellen mijn angstvallig hart. Voer mij uit mijn angst en noden.’ Volk in duisternis weet het wel: ‘Uw Koning komt.’
    Waarlijk, het zag er niet naar uit dat deze woorden, gesproken dor de godsman, spoedig in vervulling zouden gaan. Is het na Jesaja nog niet donkerder en duisterder geworden? Wat is er tenslotte overgebleven van het geslacht uit het oude Davidshuis? Maar Gods beloften falen niet. Als uit nachtelijk duister gloort tenslotte toch het morgenrood. De gouden stralen van de vervulling der beloften Gods, schijnen dan op een ontredderde wereld. ‘O Kernacht, schoner dan de dagen.’ De ster uit Jacob is opgegaan in de kribbe van Bethlehem. Dan wordt ook het Godswoord van de profeet Maleachi vervuld: ‘Ulieden daarentegen die Zijn Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid zien opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen.’
    Wie zullen dat grote licht zien? Jesaja zegt: Het volk dat in duisternis wandelt.’ Dat is dus niet voor de kinderen der wereld, immers zij wandelen in het licht, zo denken ze. Niet een iegelijk mens van de stammen van Zebulon en Nafthali keek uit naar verlossing. Het waren lang niet allemaal adventsmensen waarvan gold: ‘Ik blijf de Heer verwachten.’ Alleen een overblijfsel, dat waren verlangende, uitziende mensen, vol van hoop en verwachting. En voor hen is de belofte vervulling geworden. Wanneer? Op Gods tijd, niet te vroeg, niet te laat.
    De Verlosser uit Sion zal komen. Hij is het Licht der wereld. ’t Kan lang duren, maar de Heere is een waarmaker van Zijn Woord. ‘Zou Ik het zeggen en niet doen, spreken en niet bestendig maken.’ De Heere Jezus is verschenen en heeft Hij niet gewoond in Nazareth en was Kapernaüm niet Zijn stad? En was Galilea niet Zijn bijzonder werkterrein? De Beloofde is gekomen. We lezen er van, Matth. 4: 13-16. Hij verdrijft de donkerheid en de duisternis. Hij geeft psalmen in de nacht. Ja, des avonds is er geween, maar des morgens gejuich. Hij maakt de donkere en zwarte nacht tot een klaarlichte dag. Dan mag Zijn volk zich verblijden, uitroepende: ‘Heere in Uw licht, zien wij het licht.’
    Weet u van donkerheid en duisternis? Nee, ik bedoel niet al uw tegenslagen en moeiten en allerlei zorgvuldigheden van dit leven. Maar ik vraag u: hebt u last van uw schuld en zonde? En is het daarom zo donker en duister is uw hart? We zijn goed uit Gods hand voortgekomen. Daar in Edens hof mochten zij wandelen in het Godd’lijk aanschijn voort en in Gods Naam zich al den dag verblijden. Helaas, we hebben het zelf door onze zonde en schuld donker en duister gemaakt en we hebben zelf een stikdonkere nacht over ons gehaald. En hoe zal het nu ooit weer licht worden? Aan ’s mensen kant een onmogelijke zaak. ’t Wordt in de waarneming al maar donkerder en duisterder en het zal nog uitlopen op een eeuwige nacht. Maar Jesaja’s adventsboodschap luidt: ‘Het volk dat in duisternis wandelt zal een groot licht zien.’
    Hoor dan de troostboodschap dat onverwacht ‘Het Licht’ zal opgaan in de donkerheid en duisternis van uw hart. Eenmaal zal op Gods tijd het getij keren. Dan kan het plotseling veranderen als de zwarte nacht een heldere dag mag worden. ‘’k Zal Zijn lof zelfs in de nacht, zingen daar ik Hem verwacht.’ U zult ervaren in uw ziel het licht als van een volle dag. Immers het zal een groot licht zijn. Het zal niet een licht zijn als bij schemerdonker, neen Hij maakt de nacht tot een heldere dag.
    De Heere maakt Zijn Woord altoos waar. Zacharias heeft dat ook ervaren en met hem al ’s Heeren volk en zij kunnen met mond en hart zingen:

    Voor elk, die in het duister dwaalt,
    Verstrekt deez’ zon een helder licht,
    Dat hem in schâuw des doods bestraalt,
    Op ’t vredepad zijn voeten richt.
    (Lofzang van Zacharias vers 5)

     

    Uit: De Eerstelingen van een volle oogst van ds. D. Oskam.


    lees verder