Home
Welkom bij de Hersteld Hervormde Gemeente te Houten

Welkom op de website van de Hersteld Hervormde Gemeente te Houten. Op deze website kunt u informatie vinden over de kerkdiensten, verenigingsleven, kerkelijke activiteiten, gemeente-avonden en nog veel meer. Daarnaast zijn er interessante links te vinden naar diverse, externe, websites.

Voor alle, op de website vermelde data, geldt : "Zo de HEERE wil en wij leven mogen".

Wij wensen u veel leesplezier en hopen u graag te ontmoeten tijdens onze kerkdiensten en/of activiteiten.

 
  • Meditatie

    Danken dat God toornig is geweest

    ”EN te dienzelven dage zult gij zeggen: Ik dank U, HEERE, dat Gij toornig op mij geweest zijt, maar Uw toorn is afgekeerd, en Gij troost mij.” (Jesaja 12: 1)

    Deze tekst is een dankzegging van ware christenen voor de geschonken verlossing. Zij verblijden zich hartelijk over de verlossing in Christus.
    Wanneer? Te dienzelven dage. Dat is in de volle openbaring van het rijk van Christus, wanneer het Evangelie in de gehele wereld zal verkondigd worden. Die dankdag moet nog komen. Dat ligt in de toekomst. Voor ieder kind van God is dat een heerlijk uitzicht en verlangen. In Jesaja  11 lezen we niet van Gods toorn.  In het elfde hoofdstuk profeteert Jesaja van de Messias en Zijn vrederijk. Zo ver is het nog niet. God is vertoornd over de zonde. Jesaja heeft Gods oordelen geprofeteerd, omdat het volk vanwege de zonde gestraft moet worden.

    Hun wacht de ballingschap naar Babel. Gods toorn is opgewekt door de zonde. God moet de zonde straffen, want Hij is rechtvaardig. Hij kan de zonde niet verdragen en door de vingers zien. Wie kan dan voor God bestaan? Adam vluchtte, toen God om Zijn recht kwam. Zijn toorn is vreselijk. Die toorn ontbrandt als een oven. Dan moet een zondaar verteerd worden. Dat wordt ervaren bij het horen van Gods stem in het onweer.

    Het schepsel beeft en staat verwondert, als de God der ere dondert. Dat is ook de sprake die van de rampen uitgaat! De God der ere moet de zonde straffen, beef o beef zondaar! “Om dit alles keert Zijn toorn niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt”. Nog is er genade, maar voor hoe lang? Onder Gods toorn valt niet te leven, want wij vergaan door Uw toorn, en door Uw grimmigheid worden wij verschrikt (psalm 90:7). Wie kent de sterkte Uws toorns en Uw verbolgenheid naar dat Gij te vrezen zijt? (psalm 90:11). De Heere straft middelijk, want “wee den Assyriër, die de roede Mijns toorns is”.

    We lezen in ons tekstvers: Ik dank U HEERE, dat Gij toornig op mij geweest zijt. Dat zal zijn wanneer de betrekkelijk weinigen wederkeren uit de Babylonische ballingschap. Zij zullen na hun terugkeer de rechtvaardigheid van Gods toorn beseffen. Waarom bestraft de Algoede God dus? Met het doel, om u het besef van uw zonden en schuld in te prenten. Hij doet dat ook opdat u Zijn rechtvaardigheid erkent. Vernedert u daarom onder de rechtvaardige hand van God, opdat Hij u verhoge te zijner tijd. Wanneer u in Gods ogen genoeg hebt geboet, neemt Hij u in genade aan. Hij is daarin vrij en soeverein. Calvijn vindt dit buitengewoon korte hoofdstuk van Jesaja eigenlijk een soort psalm.
    Jesaja richt zich tot het hele volk om bij voorbaat de Heere te danken voor Zijn toorn, Zijn oordelen in de wegvoering naar Babel en het lange verblijf van zeventig jaar. Voor wie geldt de dankdag van Jesaja 12? Het uitverkoren volk, de ware christgelovigen. Dat geldt nog in het leven van iedere ware gelovige. Is er al een ogenblik in uw leven aangebroken, dat u mag zeggen: Ik dank u HEERE, dat Gij toornig op mij geweest zijt! Het is een persoonlijke zaak, want we lezen: “ik”. U kunt het niet doen met Gods volk. Dit “ik” geldt al Gods kinderen, van oude tijden af, maar is voor een ieder persoonlijk, zoals zo vaak in het Oude Testament.
    Maar … misschien heeft u wel een vraag: Danken voor Gods toorn? Voor Gods toorn moeten we toch vrezen? Wij moeten ons toch bekeren? Hoe kan je God nu danken op dankdag omdat hij toornig is geweest?

    Dit lied van dankbaarheid staat in het verband van de aanstaande oordelen van God en steekt geweldig af bij de 12 hoofdstukken daarna met hun sombere inhoud. “En te dienzelven dage zult gij zeggen”. Zo ver was het nog niet. De ballingschap moest nog komen! Dan toch danken, hoe zit dat? Je leest er gemakkelijk overheen – zeker als je niet weet wat er aan de hand is. Toch is het bijzonder wat er gebeurt.

    Midden in de oorlog zegt er iemand: Op de bevrijdingsdag zullen we zingen: De Heere is mij tot hulp en sterkte. Middenin de ellende wordt dan de hoop levend voor bevrijdingsdag. Midden in de tegenspoed zingt Jesaja al een lied over de herwonnen vrijheid. Dat doet de Heilige Geest, Die neemt een voorschot op de toekomst. Jesaja schrijft een loflied, terwijl er nog weinig te loven valt als je naar de omstandigheden kijkt. Hij bezingt de volle glorie en luister van de Heere Jezus, terwijl het koninkrijk Juda er nog ontluisterd bij ligt en de Verlosser nog niet gekomen is. Daar is wel moed voor nodig, geloofsmoed. Zonder die moed is er geen doorkomen aan.

    Vanuit dat inzicht mag Jesaja de juiste verhouding van toorn en uitkomst zien, zoals in hoofdstuk 54:8 “In een kleinen toorn heb Ik Mijn aangezicht van u een ogenblik verborgen, maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij uwer ontfermen, zegt de HEERE, uw Verlosser”. Begrijpt u, waarom de dankende Jesaja Gods toorn klein noemt? Omdat Gods toorn in Zijn oordelen tijdelijk is. Zijn goedertierenheid is eeuwig en daarom groter dan Zijn toorn. Anders was er na Adams zondeval geen moederbelofte. In Christus is Zijn toorn over de zonde opgeheven voor al Zijn kinderen.

    Voor de oprechte gelovige is Zijn goedertierenheid eeuwig, zonder einde. Hier op aarde mag iedere gelovige daar al in delen, maar bij het sterven is er eeuwig erven en op de jongste dag met ziel en lichaam wanneer de volkomenheid van Zijn rijk gekomen is.

    Gods toorn is afgewend, door het Offer van Christus. Calvijn schrijft:

    Laten wij dus niet wanhopen aan een betere toekomst! Ook tegenwoordig hebben de uitverkorenen grotendeels met de ergste tegenspoeden te strijden. Er zal een te dienzelfden dage komen: de dag waarop de aardse ballingschap is opgeheven is en een klein overblijfsel wederkeert naar het hemelse Jeruzalem. Zo verlangde de reformator Calvijn evenals Luther naar de toekomst van het heerlijke ideaal. Dat is er nu nog niet, maar in Christus zijn er de voorsmaken van. Zie toch verlost te worden van de toorn van God, want Zijn Hand is nog uitgestrekt! (Christus is) Zo lang u buiten Christus bent, wacht u Gods toorn. Laat u met God verzoenen.  Bent u nog onverzoend? Vertrouwt u niet op Hem, dan moet u vrezen voor Zijn toorn, vanwege uw onverzoende zonde.

    Wat een wonder, kind van God, dat Gods toorn is afgewend. De dichter zingt in Psalm 30:6 “Want een ogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid; des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich”. Vergeleken bij de eeuwigheid is de beleving van Gods toorn maar een ogenblik. Niet anders te denken en te verwachten, dan voor eeuwig om te komen. Dan die wending: Gedachten des vredes en niet des kwaads. God kan van Zijn recht niet afstaan, maar Zijn goedertierenheid is van eeuwigheid. De straffen en kastijdingen van de HEERE wegen niet op tegen de weldaden die Hij bewijst. Een ogenblik is maar een moment, zo kort is Zijn toorn vergeleken bij de lengte van het leven in Gods goedgunstigheid. Jesaja is overtuigd van de duurzaamheid van Gods Heil. Zijn goedheid duurt de ganse dag.

    Het is niet maar een moment, maar blijvend.
    Gij troost mij. Dat doet de Heere met Zichzelf. De omstandigheden blijven dezelfde. De wereld is nooit in evenwicht geweest, maar de Heere Zelf maakt in een dodelijkst tijdsgewricht verschil. Hij troost het hart, dat schreiend tot Hem vlucht. Hij troost, door het hart te vervullen en sterkte te geven door het geloof. Alleen het geloof, dat oprecht van hart en wandel is vrijgemaakt van ongerechtigheid. De reddende genade van de Heere vervult het hart. Dat nu te kennen is noodzakelijk en om persoonlijk van nood tot uitkomst gebracht te worden. Dan is het waar: “Ik dank U, HEERE, dat Gij toornig op mij geweest zijt, maar Uw toorn is afgekeerd, en Gij troost mij”.

    Ds. L.D.A. Hartevelt

     

     


    lees verder