Home
Meditatie

 

Indien Uw aangezicht niet medegaan zal, doe ons van hier niet optrekken. Exodus 33:15

Het ware geloof is niet vlug tevreden. Dat blijkt uit de begeerte van Mozes, nu hij van God het bevel ontvangt om weer verder op te trekken door de woestijn. Mozes kreeg daarbij van de Heere de belofte, dat een engel met hem en met het volk zou meegaan, maar dat is Mozes niet genoeg. Ziet u wel dat het ware geloof niet snel tevreden is? Niet omdat er bij de Heere iets valt te eisen, want in datzelfde geloof wordt geleerd, dat de Heere niets verplicht is om te geven, aangezien door eigen schuld alles bij God is verloren. Dat moesten ook Mozes en zijn volk erkennen, want ze hadden hier om het gouden kalf gedanst. Ons aller verleden is te slecht geweest om in het pas begonnen jaar aanspraken op de zegen des Heeren te kunnen maken. Als we dat nu maar eens werkelijk geloven.

En toch kan datzelfde geloof niet verder, of het moet met de Heere Zelf verenigd zijn. Aan een belofte had Mozes niet genoeg. Al was het ook, dat God hem een engel uit de hemel beloofde. Dan nog is dat voor Mozes tekort en daarmee durft hij niet verder op de reis door de woestijn. Want wat is een belofte zonder de gemeenschap Gods? En wat is een engel uit de hemel zonder de God van de hemel? Hopelijk zult u het verstaan, dat Mozes dan toch maar liever niet verdergaat. Zo kan hij niet verder en zo durft hij niet verder. Hij moet de Heere Zelf hebben. Met minder kan hij het niet doen. Een belofte is groot. En een engel uit de hemel is veel. Maar als het vriendelijk aangezicht des Heeren daarbij wordt gemist, dan is het toch een armzalig begin van het nieuwe jaar. Of hebt u genoeg aan een belofte zonder God? Of bent u tevreden met een engel van God alleen? Kunt u daarmee verder? Dan bent u toch al te vlug tevreden. Ook al is het waar dat u niets hebt te eisen.

De Heere wist het wel, dat Mozes met de belofte van een engel zichzelf niet kon troosten. Het was eigenlijk een geloofsbeproeving, dat God aan Mozes voorstelde om een van Zijn engelen mee te zenden, terwijl de Heere dan Zelf niet zou meegaan. Daarmee heeft de Heere het hart van Mozes brandende gemaakt. Want de Heere kent de Zijnen en Hij weet wat zij niet missen kunnen. Daarom vraagt God ook Zelf aan Mozes: ‘Zou Mijn aangezicht moeten medegaan om u gerust te stellen?’ Zo werkt God nu eenmaal. Hij doet Mozes het gemis van Hem Zelf gevoelen, als Hij voorstelt een engel uit de hemel te zenden. Het is des Heeren gewoonte om ons in het diepste donker te voeren wanneer Hij ons in Zijn zalige nabijheid wil hebben. De Heere doet alsof Hij Zich terug wil trekken, wanneer Hij begeert om Zijn kind tot Zich te trekken. De Heere toont de onmogelijkheid van Zijn onmisbare gemeenschap wanneer Hij een brug gaat leggen over de diepe kloof tussen Hem en de zondaar. Zo is het de Heere zelf, Die met deze vraag het hart van Zijn missend kind verklaart. Is uw hart hier ook verklaard, geliefden? Omdat u het nieuwe jaar niet in durft zonder het vriendelijk aangezicht des Heeren? Misschien hebt u veel te vragen, maar het is toch altijd nog te weinig gevraagd als we nog met minder tevreden zijn dan met de Heere Zelf. Er is ook geen ergere smart op aarde te denken dan dat gemis. Is dat ook uw smart geworden? Wat zal dit jaar uw grootste droefheid zijn en wat uw grootste blijdschap? Zeg dat eens eerlijk. Maar wat een wonder, dat die missende niet te veel van God kunnen vragen. De Heere heeft op zo ’n gebed gewacht. Ja, Hij heeft die armoede Zelf in hun hart gelegd. Hij deed ze om alles vragen om ze alles te geven. Dan is het ook in alles goed. Hetzij lijden, hetzij moeite of druk, ziekte of dood, als dat vriendelijk aangezicht maar mede trekt. Dat maakt alle bitter zoet.

Dat zal ook in Christus de grond doen vinden. Met Hem is Gods vriendelijk aangezicht niet meegetrokken. Hij moest Zijn weg onder de verlating gaan. Opdat een zondaar, die Zelf God heeft verlaten, nog mag smaken dat de Heere met hem wel meetrekt. Wat een onbegrijpelijke zondaarsliefde. Om in aanbidding weg te zinken.

 

Overgenomen uit: Het eeuwige Woord van ds. F. Bakker.