Home  »  Orgel
oeckelen

De orgelmakers Van Oeckelen (ca. 1790-1918)



De eerste generatie: Cornelis van Oeckelen (1762-1837)

De eerst aanwijsbare Van Oeckelen die orgels maakte was Cornelis van Oeckelen (1762-1837), "mr orlogiemaker".
Later werd hij aangeduid als "uurwerkmaker, orgelspeelwerk- en pianomaker en winkelier".
Als uurwerkmaker was hij belast met het uur- en speelwerk van de toren van de Bredase Grote Kerk.
Ook was hij bespeler van het carillon.
Naast het verrichten van reparatiewerk aan diverse orgels maakte hij ook enkele nieuwe instrumenten, onder meer te Oud Beijerland (1821) en Waalwijk (1822).

De tweede generatie: Petrus van Oekelen (1792-1878)

Een bijzonder figuur mag de orgelmaker Petrus van Oeckelen zeker genoemd worden.
Een man, zowel zakelijk als muzikaal gezien. niet bang voor avontuur en met een groot doorzettingsvermogen.
Zijn wieg stond in Breda, waar hij op 15 augustus 1792 het levenslicht aanschouwde.
Zijn vader Cornelis was daar werkzaam als klokkenmaker, hield zich bezig met carillons en met de orgelbouw.
Voor wat betreft dit laatste ambacht werkte hij samen met de thans vrijwel geheel onbekende orgelmaker Christiaanen (Christianus), welke indertijd als "meester orgelmaker" te boek stond.
Hoewel Cornelis van Oeckelen zich als orgelmaker voornamelijk met kleine werkzaamheden als reparaties bezig hield, heeft hij enkele fraaie instrumenten op zijn naam staan, zoals het orgel te Oud-Beijerland.
De schoonheid van dit instrument bezorgde hem in 1837 de opdracht tot het maken van een orgel voor de Hervormde kerk te Strijen.
Cornelis overleed echter op 29 augustus van dat jaar, waarna het orgel door zijn zoon Petrus werd vervaardigd.
Dit Strijense instrument was reeds het tweede orgel, dat Petrus van Oeckelen vervaardigde;
Tussen zijn jeugd en de vervaardiging van deze instrumenten ligt het voor Petrus van Oeckelen zo belangrijke jaartal 1810, het jaar waarin hij een van de meest ingrijpende beslissingen van zijn leven nam: de verhuizing van Breda naar Groningen, een zowel letterlijk als figuurlijk grote stap voor een jongeman van achttien jaar!
Bovendien kwam Petrus, zelf rooms-katholiek, nu in het sterk protestantse noorden terecht, waar zich alleen in de grotere plaatsen katholieke enclaves bevonden.
Ongetwijfeld heeft Petrus deze overstap gemaakt met de garantie van voldoende middelen van bestaan in het vooruitzicht Hoe het ook zij, feit is dat Petrus zich een plek wist te veroveren in het muzikale leven van de stad Groningen. De overgang in status van leerling-orgelmaker naar die van zelfstandig orgelmaker maakte Petrus in 1819 met de oplevering van zijn eerste instrument, het orgel voor de Hervormde kerk te Assen.
Opvallend is, dat we als beroepsaanduiding de term "muzijkinstrumentmaker" tegenkomen. Het is dus goed mogelijk, dat Van Oeckelen zich ook bezig hield met de fabricage van andere instrumenten dan orgels alleen.
Als musicus beheerste hij in ieder geval verschillende instrumenten: orgel, piano, carillon, cello en contrabas!
Ook in zijn persoonlijke leven kende hij voorspoed: op 30 juni 1825 trad hij te Groningen in het huwelijk met Joanna Maria Theresia Auwerda.
Uit dit huwelijk werden zes kinderen geboren, waaronder de zonen Cornelis Aldegundis en Antonius, die na de dood van hun vader het bloeiende orgelmakersbedrijf zouden voortzetten.
In zijn kennissenkring bevonden zich diverse mensen, die een vooraanstaande past bekleedden in het muziekleven en wier invloed hem uitstekend van pas kwam bij het verwerven van opdrachten.
En de opdrachten waren vele in de negentiende eeuw, aangezien talloze kerken in de kleinere dorpskernen de behoefte voelden om hun godshuizen te sieren met een orgel, al dan niet ter vervanging van een harmonium.
De adel speelde vaak een belangrijke rol bij de verstrekking van opdrachten tot het bouwen van een orgel; niet alleen beschikten zij over het geld, veelal namen ze ook in bestuurlijk opzicht belangrijke plaatsen in, bijvoorbeeld in de colleges van Kerkvoogden en Notabelen, opdrachtgevers bij uitstek voor de orgelmakers.

Petrus van Oeckelen is een van de eerste orgelmakers geweest, die tot een zekere seriematige aanpak van het orgelmaken wist te komen. Niet alleen werden vele onderdelen van de instrumenten volkomen uniform en volgens een gestandaardiseerde werkwijze vervaardigd, zelfs de vervaardiging van complete orgelkassen ging zodanig uniform, dat vrijwel identieke meubelen ontstonden. De orgels te Saaxumhuizen en in Usquert zijn hier een duidelijk voorbeeld van. Deze efficiënte en bijna industriële manier van werken kon Van Oeckelen zich mede permitteren omdat hij het zich kon veroorloven orgels te maken nog voor de opdracht tot levering van een instrument was ontvangen. Een aldus vervaardigd instrument werd opgesteld in de werkplaats, waar het dienst kon doen als een visitekaartje van het bedrijf, dat gefrequenteerd werd door kerkelijke opdrachtgevers. Het bedrijf van Van Oeckelen werd dan ook absoluut toonaangevend in het Groningen van de negentiende eeuw met een productie van soms wel drie orgels per jaar.
Het bedrijf van Petrus van Oeckelen en zijn zonen hadden een productie van ongeveer honderd orgels tot aan het einde van het bedrijf, in het begin van deze eeuw.
Niet alleen kwantitatief, ook kwalitatief behoort Van Oeckelen tot de grootste orgelmakers van de negentiende eeuw. Hoewel het werk van deze orgelmaker, zoals het werk van zovele orgelmakers uit deze periode, lange tijd in een minder gunstig daglicht heeft gestaan, mag het werk van Van Oeckelen zich nu weer in een toenemende belangstelling verheugen. Deze instrumenten hebben de afgelopen anderhalve eeuw hun soliditeit ruimschoots bewezen. Maar qua klankschoonheid valt er veel bij Van Oeckelen te genieten; vooral het register Viola di Gamba, een specialiteit van het huis, is menigmaal geroemd.

De derde generatie

Al vroeg kreeg Petrus van Oeckelen steun van zijn zonen Cornelis Allegondus (1829-1905), Henricus (1835-1894) en Antonius (1839-1918).
Ze zullen aanvankelijk eerst het maken van diverse onderdelen hebben geleerd, later gevolgd door het maken van een ontwerp en het uitwerken van een bestek.
Zou het zo geweest kunnen zijn dat het ontwerp en daarna de bouw van het orgel voor Saaxumhuizen (1849-1851) voor Cornelis Allegondus (toen twintig jaar oud) een soort meesterproef was?
En dat de meesterknecht daarbij assisteerde?
Het Saaxumhuizer orgel laat namelijk twee opvallende ontwerpfouten zien (slechts plaats voor vijf frontpijpen i.p.v. de geplande zeven in de zijtorens; de rijenvolgorde van de Cornet op beide Hoofdwerkladen is verschillend), fouten die een ervaren orgelmaker toch minder gauw zou maken.
Al is het orgel er beslist niet minder om.
De inscriptie op de eerste metalen pijp (e') van de Bourdon wijst ook in deze richting.
Hier lezen we: "Jan van Loo & Cornelis Allegondes van Oeckelen 1850 & 1851".
En aan de andere kant, ongetwijfeld de maker van de pijp: "Jakobus Smulders Fecit 1850".
Jan van Loo (1823-1910), die met de oudste dochter Elisabeth Regina was getrouwd, werkte als meesterknecht in het bedrijf.
Dat bleef hij tot 1853; toen ging hij namelijk werken hij J.C. Scheuer in Zwolle.
Petrus van Oeckelen overleed op 13 augustus 1878.
De orgelmakerij te Glimmen werd door Cornelis Allegondus (Cees) en Antonius (Anton) voortgezet.
Henricus stapte op; na een paar jaar timmerman te zijn geweest in Groningen ging hij bij de Veendamse orgelmaker R. Meijer werken.
Na diens overlijden in 1884 zette hij deze orgelmakerij voort tot zijn dood in 1894.
De orgelmakerij van Van Oeckelen werd in 1878 voortgezet onder de naam Petrus van Oeckelen en Zonen.
Reeds jarenlang ondertekende P. van Oeckelen de diverse bestekken en contracten met de toevoeging "en Zonen".
(Omwille van enige duidelijkheid is er bij het inventarisatieproject Het Groninger Orgelbezit van A tot Z voor gekozen bij Van Oeckelen orgels van voor 1878 te spreken van "gemaakt door P. van Oeckelen" en na 1878 van "de Fa. P. van Oeckelen en Zonen".)
De orgelmakerij zal door de zonen waarschijnlijk op dezelfde voet zijn doorgegaan als de jaren ervoor.
Toch was er langzamerhand een verschuiving opgetreden.
Zoals bij het ontwerp van het orgelmeubel.
De (grotere) fronten die aanvankelijk een zekere rijzigheid hadden (Smilde 1841, Beerta 1862) werden langzamerhand wat meer gedrongen, 'platter'.
Het lijkt bij sommige ontwerpen wel of het orgel er niet staat maar dat het zegt: "(HC, lie) ik zit!"
De beschikbare hoogte is er in voorkomende gevallen niet altijd debet aan, want soms is er tussen kas en plafond nog zoveel ruimte vrij dat twee behoorlijk forse adelaars hun vleugels kunnen spreiden (Groningen, Pepergasthuiskerk 1862, Oude Pekela, Herv. kerk 1865); in houtsnijwerk uitgevoerd natuurlijk, dat zal de lezer duidelijk zijn.
Waarin wel een stijgende lijn was te zien in sommige ontwerpen in bijna letterlijke zin, waren de fronten in neogotische stijl, zoals in Steenwijk, kleine kerk (1880).
Ook nog in Petrus tijd kwamen er dergelijke fronten tot stand (Leermens, Westeremden, Westervoort, alle 1873).
In de nadagen van het familiebedrijf werd soms in de vormgeving teruggegrepen op elementen uit de (Noord-Duitse) barok, zoals hij Kloosterburen, Hervormde kerk (1898) en Ter Apel (1905).
In een enkel geval (Slochteren, 1895) werd een front (ontworpen en) uitbesteed aan een (Duitse?) firma, wat een quasi Hoofdwerk-Bovenwerk Pedaalfront met Lodewijk XV-achtig snijwerk opleverde, waarachter een éénklaviers orgel met tien stemmen onder een eenvoudige afdekking schuil gaat.
Er was ook een verschuiving in klank.
De totaalklank van de orgels werd steeds liefdadiger, grondtoniger.
Het puntige ging er van af, vaak mede door het ontbreken van een Mixtuur.
Als er in een Cornet was voorzien, was de samenstelling ervan soms zeer laag, zoals in Niekerk, Hunsingo (1883).
Op e' is de samenstelling aldaar: 8' - 5 1/3' - 3 ~/5'.
Hier moet, door octaverend spel, de rechter pink van de organist er een krachtige 6-sterke Cornet van maken; zo was het ook bedoeld.
Kwam de Cornet niet in het rijtje registers boven de klaviatuur voor - en was het prestantenkoor niet tot 2 voet uitgebouwd - dan wachtte de Woudfluit 2 vt een zware taak.
Op veel Van Oeckelen orgels klinkt dit register dan ook behoorlijk schreeuwerig.
De lagere grondstemmen in het fluitenbestand klinken daarentegen bescheiden, vaak wat vlak, minder belijnd; maar wel 'degelijk', vooral de Bourdon 16 vt.
De strijkers zijn altijd bescheiden van toon.
Het register dat echter in klank steeds minder bescheiden wordt, is de Trompet.
De toon wordt in de loop der jaren zeer luid (net of er op de laatste registerplaats op de lade een hogere winddruk heerst).
Ook van de derde generatie orgelmakende Van Oeckelens staan de meeste instrumenten in Groningerland: 26, tegen elf bulten de provinciegrenzen.
In 1903 werd de firma een interessante klus aangeboden.
Burgemeester en Wethouders van Haarlem nodigden de Van Oeckelens namelijk uit om in te schrijven op een 'herstelling en vernieuwing ... 8 tot 9 maanden werk - -. tot de kosten geschat op f 18.000' van het beroemde Bavo-orgel.
Op verzoek van de toenmalige organist Ezerman werden naast vijf andere orgelmakers (alsnog) uitgenodigd Maarschalkerweerd en Van Oeckelen.
Er werd echter totaal niet gereageerd vanuit Glimmen; de firma Maarschalkerweerd kreeg toen de opdracht.
Het laatste Van Oeckelen orgel, voor de hervormde kerk te Leek, werd in gebruik genomen op 12 december 1915.
Met de dood van Anton van Oeckelen in 1918 eindigde het familiebedrijf dat drie generaties lang orgels had gemaakt.
De meesterknecht Harmannus Thijs (1862-1943) zette de zaak in Glimmen voort.
Diens vader Hilbrand had eveneens bij de Van Oeckelens gewerkt.
En om het verhaal maar helemaal af te maken: omstreeks 1933 nam Lukas Rinkema, knecht van Thijs, de zaak over en hield die tot in de jaren zestig aan.
Orgels werden er sinds 1915 niet meer gemaakt, het was alleen nog maar onderhoud waar de zaak op dreef.